EMDR

  • Naam: Eye Movement Desensitization and Reprocessinge (EMDR)
  • Helpt bij: PTTS, fobieën, trauma's, rouwverwerking
  • Methode: Het telkens ompolen van de aandacht van links naar rechts naar links enz.
Wat is EMDR?

EMDR staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Het is een effectieve behandelmethode om nare en/of traumatische ervaringen te verwerken. In 1989 werd EMDR door Francine Shapiro ontdekt en werd in eerste instantie gebruikt om grote eenmalige traumatische gebeurtenissen te verwerken. Tegenwoordig is er teeds meer bewijs dat het ook bij andere klachten effectief kan zijn, zoals bijvoorbeeld bij angtklachten, chroniche pijn, ptss (post traumatische stress stoornis). Ook wanneer iemand last heeft van een negatief zelfbeeld kan EMDR als deel van de totaalbehandeling worden ingezet. De werking van EMDR komt er op neer dat psychische ziekten en klachten te maken kunnen hebben met oude ervaringen die in meer of mindere mate een emotionale reactie kunnen oproepen (bijvoorbeeld een angstreactie na een ongeval). Met EMDR is het mogelijk deze traumatische ervaringen en reacties vaak volledig te laten verdwijnen in relatief korte tijd!

EMDR kan worden ingezet bij Posttraumatisch Stress Syndroom, fobieën, trauma's, schokkende ervaringen, rouwverwerking.
Stappen bij een EMDR-sessie

1. Kennismaking
Waaronder een gesprek over de levensloop van de cliënt.
2. Voorbereiding
EMDR kan bij de cliënt veel losmaken, dus zal een therapeut(e) eerst controleren of een cliënt voldoende stevig in de schoenen staat. Bij trauma's is het tegenwoordig de gewoonte, om eerst aan de cliënt te vragen om aan een positief beeld te denken. Via de technieken van EMDR wordt dit beeld dan versterkt, waardoor een 'veilige plek' ontstaat, waar de cliënt op terug kan vallen als de sessie heftig is.
3. Het opbouwen van het 'plaatje' van bijvoorbeeld het trauma en de 5 vragen.
De cliënt wordt gevraagd om te denken aan een beeld dat de klacht representeert. De nare herinnering hoeft dus niet per se traumatisch te zijn. EMDR werkt via het contact maken met de pijnlijke zaken, maar perfect kunnen visualiseren is niet nodig. Vervolgens stelt de therapeut vijf vragen aan de cliënt over dit beeld:
- Wat denk je over jezelf in dit beeld? (NC, negatieve cognitie)
- Wat zou je willen denken over jezelf in dit beeld? (PC, positieve cognitie)
- Welke emotie voel je?
- Wat voel je in je lichaam?
- Hoe rot voelt dit op een schaal van 0 tot 10? (De SUD-score)
4. Desensitisatie, SUD-metingen tussendoor
Aan de hand van dit beeld en de 5 vragen volgt dan het "eigenlijke" links - rechts - links werk. Dit is het begin van de desensitisatie. Na ongeveer een minuut stopt de therapeut en is het 'pauze'. Dan volgt het nabespreken wat er gebeurd is. Vaak verandert er in die minuut wel het een en ander. Een cliënt hoeft niet per se het eerste zeggen wat opkomt, maar het heeft wel zin om alles zoveel mogelijk te melden. Soms blijkt iets onbeduidends een poos later alsnog relevant te zijn. Vertrouwen in de therapeut is hier heel belangrijk. Het wisselen van 'techniek' kan hier ook goede diensten bewijzen, bijvoorbeeld stoppen met oogbewegingen als de cliënt huilt of zich schaamt, en overgaan op 'tikjes' op bijvoorbeeld de knie. Aan de hand van de 'nabespreking' beslissen therapeut en cliënt samen welk beeld nu aan de orde komt. Per set van een minuut kan dat wisselen, maar daar zit wel een patroon in. Zo kan de eerste set beginnen met een beeld waar de cliënt last van had (ook wel aangeduid als "de kop van de inktvis" of het beeld met "vieze inkt"). Na 1 set roept dit beeld bijvoorbeeld verdriet op: het is dan zinnig om een verdrietig beeld te nemen voor de volgende set. Dan volgt een serie sets (zogezegd een 'tentakel') met verdriet. Als het verdriet aanmerkelijk minder wordt, wordt teruggegrepen op het eerste beeld ("de kop van de inktvis"): denkbaar roept datzelfde beeld nu een andere emotie op, bijvoorbeeld angst: dan volgt een 'tentakel' van angst. Als de angst gedesensititeerd is, gaat de therapeut weer naar het eerste beeld, wellicht roept dat nu woede op: dan volgt een 'tentakel' van woede. Als de woede is gedesensitiseerd, kijkt de cliënt weer naar het eerste beeld - enz.
5. Installatie, gemeten door de Validity of Cognition (VoC)
Als de SUD-score voldoende laag is en het beeld geen nieuwe emoties meer oproept, komt de installatie: dat wil zeggen: de PC (wat zou je willen denken over jezelf in dit beeld) komt expliciet aan bod. De therapeut zal iets vragen in de trant van: "Hoe voelt je (oude) PC?" Vaak is die door de desensitisatie achterhaald. Dan komt de vraag, om de (nieuwe) PC 'bovenop' het nare beeld te 'plakken'. Op een schaal van 0 tot 7, hoe waar voelt dit? (De VoC.) Dan weer een of meer sets links - rechts - links tot de VoC een 7 is.
6. Bodyscan
De therapeut vraagt of de cliënt nu nog enige spanning in zijn lichaam voelt. Zo ja, dan volgen er een of meer sets: links - rechts - links. Als de bodyscan geen (nieuwe) spanning meer geeft, is dit ene beeld compleet gedesensitiseerd. Dat wil niet zeggen dat de hele behandeling klaar is. Iemand die bijvoorbeeld jarenlang werd mishandeld, zal waarschijnlijk vele beelden hebben. Wel kan het zo zijn, dat omdat de PC (bijvoorbeeld 'ik ben sterk') goed geïnstalleerd is, na de eerste complete behandeling de nog resterende beelden al minder klachten geven.
7. Nabespreking
8. Evaluatie